Een beetje zielig

Eva zielig

‘Ik vind Eva wel een beetje zielig.’ Hij zei het zonder oordeel. Gewoon als observatie, na het lezen van de eerste twintig hoofdstukken van De Broodkruimelvrouw. Maar ik voelde het wel.

Want laten we eerlijk zijn: Eva lijkt op mij, de auteur van De broodkruimelvrouw. Misschien is ze niet ík, maar ze komt wel dicht in de buurt. En het laatste wat ik wil, is dat iemand mij zielig vindt. Zielig voelt als falen. Als zwakte. Als een vrouw die haar leven niet op orde heeft.

Ik merkte dat ik meteen in de verdediging wilde schieten.
‘Maar je ziet haar groei nog niet.’
‘Je zit nog in het begin.’
‘Wacht maar tot verderop.’

Maar zijn woorden bleven hangen. En als ik echt eerlijk ben – niet naar hem, maar naar mezelf – zat er een kern van waarheid in..

Er wás een periode waarin ik genoegen nam met te weinig. Waarin ik genoegen nam met broodkruimels. Waarin ik mezelf kleiner maakte om de ander comfortabel te houden. Waarin ik mijn intuïtie wegduwde omdat de waarheid te veel zou kosten.

Een vriendin zei ooit tegen mij: ‘Je was een slap aftreksel van jezelf geworden.’ Ik lachte het weg, natuurlijk. Zelfspot is mijn favoriete overlevingsmechanisme. Maar diep vanbinnen wist ik dat ze gelijk had.

Ik was mezelf ergens onderweg kwijtgeraakt. Niet in één klap. Niet dramatisch. Maar langzaam. In kleine concessies. In stille aanpassingen. In het steeds opnieuw kiezen voor harmonie boven waarheid.

En misschien ziet een lezer dat. Misschien voelt een lezer dat ongemak. Dat wachten. Dat hopen. Dat slikken. Misschien voelt dat als zielig.

Maar toen las de potentiële uitgever verder. Verder dan die eerste twintig hoofdstukken. Verder dan het stuk waarin Eva nog wacht, nog hoopt, nog zichzelf overslaat. De redacteur zei: ‘Je wordt meegenomen in Eva’s ontwikkeling en hoe ze voor zichzelf vormgeeft aan een nieuw leven.’

Die zin deed iets met me. Want ineens verschoof het perspectief. Misschien is het begin niet bedoeld om bewondering op te roepen. Misschien is het bedoeld om herkenning te laten schuren.

We vieren graag de vrouw die haar grenzen kent. Die stevig staat. Die kiest voor zichzelf. Maar we kijken minder graag naar het stuk daarvoor. Het stuk waarin je twijfelt. Waarin je blijft. Waarin je genoegen neemt met minder dan je verdient. Waarin je weet dat iets niet klopt, maar nog niet de kracht voelt om te bewegen.

Dat stuk is rommelig. En soms, ja… zielig. Maar dat is niet het einde van het verhaal. Wat mij raakt aan Eva – en ja, ook aan mezelf – is niet dat ze broodkruimels accepteert. Het is dat ze op een dag voelt: dit kan zo niet langer. Dat er iets in haar wakker wordt.

Groei begint niet bij kracht. Groei begint bij ongemak. Soms wordt het eerst erger voordat het beter wordt. Soms moet je jezelf bijna kwijtraken om te beseffen dat je terug wilt. Dat is geen lineaire lijn. Dat is vallen, opstaan, weer twijfelen, weer proberen. Het is twee stappen vooruit en eentje terug.

Maar als je een jaar later terugkijkt – en dat moment heb ik inmiddels gekend – dan zie je het pas echt. Dan denk je: jemig… wat ben ik ver gekomen. Wat heb ik veel aangekeken. Wat heb ik veel losgelaten.

En misschien is dat de essentie van dit boek. Niet dat Eva zielig is, maar dat ze groeit. Dat ze leert dat kruimels geen maaltijd zijn. Dat ze ontdekt dat loyaliteit aan een ander niet boven loyaliteit aan jezelf mag staan.

Misschien moet een lezer haar eerst even zielig vinden. Omdat dat precies het punt is waar veel vrouwen zichzelf herkennen, maar liever niet hardop uitspreken. En als je dan verder leest zie je dat het geen zwakte was. Het was een tussenfase.

En groei… groei is zelden mooi in het begin. Maar achteraf? Dan zie je pas hoe ver je bent gekomen. En daar mag je trots op zijn.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *