In De broodkruimelvrouw zijn boeken voortdurend aanwezig. Soms letterlijk, soms op de achtergrond. Ze liggen op nachtkastjes, worden uitgeleend, teruggegeven, volgeschreven. En ergens onderweg verschijnt ook een boekenkast. Niet als vooraf gekozen symbool, maar omdat het zich aandiende.
Boeken spelen niet alleen een rol in het verhaal, ze lopen ook als een rode draad door mijn eigen leven. Een keer niet het leven van Eva, maar van de auteur. De afgelopen jaren misschien wel meer dan ooit. Niet omdat ik ineens ‘van boeken ben gaan houden’, maar omdat ik steeds meer boeken ontdek die me helpen dichter bij mezelf te blijven.
Die beweging begon niet alleen. Iemand die me waardevol was wees me op boeken, passages, zinnen. Niet als advies, maar als uitnodiging om zelf te gaan denken. Dat maakte lezen iets gezamenlijks, nog voordat ik begreep hoe belangrijk dat voor me was.
‘Zullen we samen een boekenkast vullen?’
Die zin staat in het boek, maar hij werd ook echt uitgesproken. En hij ging niet over hout of planken. Hij ging over tijd. Over blijven. Over samen iets opbouwen, zonder haast. Over avonden praten over wat we lazen, wat ons raakte, wat we nog niet begrepen. Over de gedeelde liefde voor filosoferen, zonder meteen tot een conclusie te hoeven komen.
Wat me achteraf raakt, is dat juist boeken de plek werden waar verbinding het meest vanzelfsprekend was. Niet in plannen of beloftes, maar in zinnen die we samen lazen en waar we op bleven terugkomen. Boeken waren een veilige vorm van nabijheid. Je kon naast elkaar lezen. Nadenken. Stil zijn. Zonder dat er iets opgelost moest worden.
In diezelfde periode begon ook mijn voorliefde voor stoïcijnse boeken te groeien. Na een lange tijd van stilstaan – van aanpassen, inschikken, mezelf kleiner maken dan nodig was – had ik woorden nodig die niets mooier maakten, maar me wezen op wat van mij was en wat niet. Op waar mijn invloed ligt.
Marcus Aurelius schreef ooit:
‘You have power over your mind, not over outside events.’
Die zin voelde niet zacht. En juist daarom klopte hij. Hij gaf geen troost, maar richting. Boeken als Het obstakel is de weg en In de stilte ligt het antwoord van Ryan Holiday (die veel over Marcus Aureluis en het stoïcisme schrijft) kwamen op mijn pad via iemand die me belangrijk was. Ze hielpen me vooruit, maar voor het eerst zonder dat mijn richting afhing van iemand anders. Ze beloven geen geluk, maar stellen vragen die je niet kunt negeren. En daarmee wordt het ineens helderder.
In De broodkruimelvrouw zijn boeken er niet als decor, maar als houvast. Ze liggen op stapels omdat er nog geen kast is. Ze worden gelezen, uitgeleend, volgeschreven. Rommelig en persoonlijk. Eigenlijk net als groei.
De boekenkast is er nog steeds niet, alleen in een heel kleine vorm. Maar de boeken zijn gebleven. En misschien zegt dat alles. Dat ik niet langer wacht tot iets ‘af’ is om verder te mogen. Dat ik verzamel wat me helpt stevig te staan. Bladzijde voor bladzijde.
Mijn boekenkast groeit. Net als ik. Langzaam, maar gestaag.

