Regelmatig krijg ik de vraag hoeveel van mijn roman De broodkruimelvrouw is gebaseerd op mijn eigen leven. Of mensen zichzelf zullen herkennen in personages, situaties of relaties. Soms is dat een serieuze vraag, soms een voorzichtige. En soms ook eentje die ik liever niet beantwoord.
Daarom eerst even dit:
fic·tie (de; v)
1 literatuur met verzonnen elementen: verhalen, poëzie, toneelstukken, romans
2 (meervoud: ficties) verdichtsel, verzinselnon-fic·tie (de; v)
1 boeken enz. die niet op fantasie maar op feiten berusten
Mijn roman leeft precies ergens tussen die twee in. Veel in dit verhaal is ontstaan uit echte ervaringen: dingen die ik heb meegemaakt, gezien, gevoeld of te lang heb weggeduwd. De toon, de thematiek, de dynamieken; die herken ik. Maar de vorm, de personages, de verhaallijn: die zijn samengesteld. Soms vergroot, soms versimpeld, soms volledig verzonnen.
Als ik alles een-op-een had willen opschrijven, was dit een autobiografie geworden. En dat is het nadrukkelijk níet. Fictie geeft vrijheid. Waarheid geeft richting. Mijn verhaal leeft ergens daartussenin.
Personages kunnen soms herkenbaar voelen, dat is bijna onvermijdelijk wanneer je schrijft over thema’s die veel mensen raken. Maar ze zijn geen exacte kopieën van mensen uit mijn leven. Ze ontstaan uit een mix van indrukken, gesprekken, observaties en dingen die ik zelf heb meegemaakt.
Soms komt iets dichter bij de werkelijkheid, soms wijkt het er volledig vanaf. Verhalen hebben hun eigen logica; ze lenen, mengen en vervormen, tot alleen dat overblijft wat het verhaal nodig heeft.
Wat ik hoop? Dat je leest wat er staat, niet wat erachter gezocht kan worden. Dat je jezelf ergens herkent, zonder te denken dat het over jou gaat. Of iemand die je kent. En dat, als je blijft hangen bij die broodkruimels, bij wat te weinig was maar waar je tóch aan vasthield, je jezelf heel zachtjes afvraagt waarom.
Want daar, precies daar, ligt de sleutel naar jouw eigen verhaal.

