Tussen twee stations in

Tussen twee stations

Ik schrijf graag in de trein. Ja, ook als ik midden in een seksscène zit. ‘Maar wat als iemand meeleest?’ werd me onlangs gevraagd. Mijn antwoord was vrij simpel: als het boek straks een bestseller wordt, lezen er sowieso nog veel meer mensen mee.

Toch vinden veel mensen het gek dat ik juist daar schrijf. In de trein. De meeste mensen denken dat schrijven iets is wat je in stilte doet. Aan een bureau. Misschien met een kop koffie en een inspirerende playlist op de achtergrond. Maar voor mij werkt dat eigenlijk helemaal niet zo goed. Sterker nog: een stille kamer is voor mijn brein vaak veel onrustiger dan een plek waar van alles om me heen gebeurt.

In het boek Focus AAN/UIT (aanrader!) legt Mark Tigchelaar uit dat ons brein vaak beter functioneert met een beetje achtergrondgeluid. Denk aan een drukke bibliotheek of een koffietentje. Dat zachte geroezemoes houdt net genoeg van je aandacht bezig om te voorkomen dat je gedachten alle kanten op schieten.

Hetzelfde principe geldt voor muziek. Een playlist met nummers die je al goed kent werkt vaak beter dan een gloednieuw album. Bekend genoeg om op de achtergrond te blijven, maar niet interessant genoeg om je aandacht te stelen. Je brein heeft iets nodig om zich lichtjes aan vast te houden. Niet te veel, maar ook niet helemaal niets.

En precies daarom werkt de trein zo goed voor mij. Het ritme van de rails. Mensen die zachtjes praten. Koffers die door het gangpad rollen. Het is een soort constante achtergrondlaag waar ik niet actief naar hoef te luisteren, maar die mijn hoofd wel rustig houdt.

In plaats van afgeleid te raken door mijn eigen gedachten, kan ik me juist beter concentreren op wat ik wil schrijven. Zo ontstaan verrassend veel hoofdstukken van mijn boek letterlijk tussen twee stations in. Soms romantische scènes. Soms pijnlijke momenten. En ja, soms ook scènes waarvan ik stiekem hoop dat de buurman naast me niet nét op dat moment nieuwsgierig wordt naar mijn scherm.

Wat ik ondertussen heb geleerd, is dat schrijven een bepaalde vorm van lef vraagt. Je moet durven opschrijven wat er echt in je hoofd zit. Niet de nette versie. Niet de veilige versie. Maar de eerlijke. Zodra ik me te bewust word van wie er allemaal mee zou kunnen lezen, ga ik mezelf censureren. Dan worden zinnen netter. Voorzichtiger. Minder echt.

En precies dat wil ik niet, zeker niet bij het schrijven van De broodkruimelvrouw. Dat verhaal gaat juist over de dingen die mensen vaak inslikken. Over verlangens die te lang worden genegeerd. Over de momenten waarop je langzaam begint te voelen dat het leven dat je hebt misschien niet meer het leven is dat bij je past.

Dat soort verhalen ontstaan niet als je voorzichtig schrijft. Dus als ik in de trein zit, probeer ik iets simpels te doen. Doen alsof ik alleen ben. Laptop open. Oortjes in. En schrijven. Zelfs in een volle trein en zelfs als het seksscènes zijn.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *