De e-mail naar de uitgever is verstuurd. Ik merk dat ik die zin steeds opnieuw in mijn hoofd herhaal, alsof ik het moet laten landen. Alsof het pas echt gebeurd is als ik ‘m vaak genoeg tegen mezelf zeg. De hoofdstukken zijn weg. Niet meer terug te halen. Niet meer te herschrijven.
Het was geen voorzichtig proefballonnetje meer, dat ik nog had kunnen terughalen bij twijfel. Het waren hoofdstukken. Veel hoofdstukken. Stukken van mezelf, kwetsbaar. Woorden waarin ik ben gaan geloven. En dat voelt enger dan ik had gedacht.
Want hoe meer je laat zien, hoe minder je je kunt verstoppen. Het is niet af. Het is niet perfect. Er zitten rafelrandjes aan. Er zijn zinnen waarvan ik weet dat ze nog beter kunnen. Maar er zit ook iets anders in: overtuiging. En verlangen. En een stem die ik lang heb ingehouden.
Misschien is dat precies het punt. Onder die spanning zit iets ouds. De angst om afgewezen te worden. Niet alleen het zakelijke ‘nee’, maar het diepere: dat iemand zegt dat het niet genoeg is. Dat dit waar ik zo hard aan heb gewerkt, niet de moeite waard is.
Deze angst is me net iets te vertrouwd. Hij zit snel aan tafel. Fluistert dat ik nog even moet wachten. Dat ik het verhaal nog moet aanscherpen. Alsof ik mezelf kan beschermen door het scherper, slimmer, anders of netter te formuleren.
Ik merkte hoe snel ik mezelf weer wilde indekken. Dat ik wilde blijven schaven aan het verhaal. En wilde wachten met versturen tot het ‘veilig’ voelde. Maar dat moment kwam natuurlijk niet. Ik maakte het mezelf alleen maar moeilijker.
En toen besefte ik me dat dit traject iets anders vraagt. Het vraagt dat ik laat zien wat er nu is. Niet wat het straks misschien kan worden. Welke potentie dit verhaal heeft, voordat alles gladgestreken is. Voordat de scherpe randjes eraf zijn gehaald. En ja, dat betekent ook het risico nemen om ‘nee’ te horen.
150+ pagina’s zijn ingeleverd. De bal ligt niet meer bij mij. Ik bijt op mijn nagels en probeer ondertussen vooral te blijven ademhalen. Niet vooruit te denken. Niet alvast conclusies te trekken. En vooral: mezelf eraan te herinneren dat kwetsbaarheid geen zwakte is. Dat het geen bewijs is van naïviteit of overschatting. Maar een vorm van vertrouwen.
Wat er ook gebeurt: dit heb ik gedaan. Ik heb het niet klein gehouden. Ik ben niet weggelopen voor de angst. En dat voelt, ondanks alles, als winst.

